Schietpartijen op scholen – Naar wie moeten we luisteren?

Foto van protest met bord waarop staat dan een leraar getraind is om les te geven niet om te schieten.

Naar aanleiding van een School Shooting in Florida opperden autoriteiten diverse plannen waaronder meer controle krijgen over jongeren en het bewapenen van leraren.

Door Bruce Levine, PhD – 18 maart 2018

Ik heb nog nooit met een schoolschutter gesproken. Ik heb wel met veel tienerjongens en jongemannen gesproken die – hoewel ze zelf geen gewelddadig gedrag vertoonden – zich wel degelijk emotioneel verbonden voelden met de woede, vervreemding en hopeloosheid van deze schoolschutters.

Ongeacht of ze lage of hoge cijfers haalden, deze tienerjongens en jongemannen vertellen me allemaal dat de middelbare school een beklemmende ervaring was. Als we spraken over Trumps steun aan het bewapenen van leraren, maakten ze bijtende opmerkingen zoals: “Gevangenisexperts weten al lang dat het geen goed idee is als gevangenisbewakers wapens dragen.”

Cynisch over vrijwel alle maatschappelijke instellingen, vertellen deze jongeren me dat NRA-leiders alleen maar om de NRA en wapenwinsten geven en totaal niet om hen. Bovendien hebben ze geen hoop dat de leiders van de NRA zich zullen verzetten tegen de wapenhandel. En ze hebben helemaal geen vertrouwen dat de wapenbeheersingswetten van lafhartige politici het aantal schietpartijen op scholen zullen doen afnemen.

Deze tienerjongens en jongemannen zijn zeer gevoelig voor de verschillende manieren waarop volwassenen gehoorzaamheid proberen af te dwingen. Ze hebben een hekel aan zowel “conservatieven” als aan “liberalen”. Voor deze jongeren vallen de religie en de gemilitariseerde samenleving van de conservatieven binnen hetzelfde onderdrukkende keurslijf als dat van de scholen en psychiaters waar de liberalen voor staan.

Deze jongeren zijn vooral cynisch over behandelingen in de geestelijke gezondheidszorg, omdat ze allemaal emotioneel beschadigde leeftijdsgenoten kennen voor wie behandelingen in de geestelijke gezondheidszorg niet hielpen. In sommige gevallen resulteerde dit erin dat probleemjongeren in angstaanjagende types veranderden. Sommige van deze jongemannen met wie ik praat kennen alle details van het leven van bekende schoolschutters die voorafgaand aan hun massamoorden een behandeling hadden ondergaan. Dit zijn bijvoorbeeld Eric Harris en Dylan Klebold, die in 1999 een schietpartij aanrichtten op de Columbine High School in Littleton, Colorado, waarbij 15 doden vielen (onder wie zijzelf) en vele anderen zwaar gewond raakten.

In 1998 stemden Eric en Dylan na hun arrestatie voor diefstal, in ruil voor het schrappen van hun strafblad, in met een diversion program dat onder meer woedebeheersing inhield. In Columbine: A True Crime Story concludeerde journalist Jeff Kass: “In feite heeft het ontheffingsprogramma dat bedoeld was om Eric en Dylan te kalmeren en te corrigeren, waarschijnlijk de aanzet gegeven tot Columbine, omdat ze zich afzetten tegen de strenge richtlijnen en inwendig kookten van woede omdat ze gepakt waren”.

Eric werd naar een eendaags programma gestuurd met de naam “Geweld is te voorkomen”. Op 1 december 1998 (ongeveer vijf maanden voor het bloedbad in Columbine) leverde hij zijn essay in en vertelde hij de autoriteiten precies wat ze wilden horen: “De cursus woedebeheersing die ik volgde was in veel opzichten nuttig… Ik denk dat het meest waardevolle deel van deze les bestond uit het bedenken van ideeën om mijn woede te beheersen en het vinden van manieren om stress op een niet-gewelddadige manier te uiten. Dingen als schrijven, een wandeling maken, praten, gewichtheffen, naar andere muziek luisteren en sporten zijn allemaal goede manieren om woede te uiten.”

Eric Harris wordt nu door veel van mijn collega’s in de geestelijke gezondheidszorg gezien als een “sociopaat”, maar een jongeman die de zaak goed kent vertelde me: “Eric liet zich gewoon meeslepen met zijn übermensch onzin. Ik heb me ook laten meeslepen in mijn eigen onzin, mijn zelfdestructieve onzin. We kunnen ons allemaal laten meeslepen door onze nonsens.” zo laten veel van mijn collega’s binnen de geestelijke gezondheidszorg zich regelmatig meeslepen in hun diagnose- en behandelingsonzin.

Naast woedebeheersing werd Eric Harris behandeld met antidepressiva. Na zijn dood ontdekte de lijkschouwer dat het antidepressivum fluvoxamine (Luvox, Fevarin, Fluvoxaminemaleaat) in zijn bloed zat. Er werd weinig ruchtbaarheid aan gegeven, maar Solvay, de fabrikant van fluvoxamine, rapporteerde dat in een onderzoek gedurende tien weken, 4 procent van de jongeren die werden behandeld met fluvoxamine “manische reacties” vertoonden (vergeleken met geen enkele reactie in een controlegroep die werd behandeld met een placebo). Zelfs de American Psychiatric Association gaf in haar DSM-IV uit 1994 toe: “Symptomen zoals die in een manische episode optreden, kunnen te wijten zijn aan de directe effecten van antidepressieve medicatie”.

Psychiatrische medicatie – vergelijkbaar met alcohol en illegale bewustzijnsveranderende drugs – lokken bij sommige mensen ‘ontremming’ uit waardoor gewelddadige gedachten kunnen uitgroeien tot gewelddadige daden. Geen enkel medicijn is makkelijker te “scoren” bij een arts dan antidepressiva, een klasse medicijnen waarvan artsen door vertegenwoordigers van het medicijn is verteld dat ze weinig risico met zich meebrengen. Artsen schrijven routinematig psychiatrische medicatie voor in consultaties van tien minuten rondom “medicatiebeheer”. Tijdens dit soort consulten is er geen tijd om te bepalen hoezeer hun patiënten lijden; en dus is er routinematig weinig voorzichtigheid geboden bij het voorschrijven van een mogelijk geweld-ontremmende middel aan een extreem wereldhatende of zelfhatende jongeman.

Voor de 14-jarige James “Austin” Hancock was het de ADHD-amfetamine Adderall (in Nederland niet verkrijgbaar) die, samen met het feit dat hij zich onbemind voelde door zijn ouders en het feit dat hij gemakkelijk toegang had tot een pistool, resulteerde in een schietpartij op school. Austin schoot in 2016, toen hij op Madison Junior/Senior High zat, ongeveer 30 mijl ten noorden van Cincinnati in Ohio (waar ik woon) twee leerlingen neer en raakte daarbij nog eens twee anderen gewond. Gelukkig overleefden ze het allemaal. Austins verhaal, “A School Shooter, in His Own Words: I Wasn’t Wanted by Anyone” werd begin 2018 gepubliceerd door Keith BieryGolick in de Cincinnati Enquirer.

Niet lang nadat Austin werd geboren, scheidden zijn ouders. Austin vertelde: “Ik ging naar het huis van mijn moeder en zij had nog drie andere kinderen, dus ik had het gevoel dat ik daar niet gewenst was. Daarna ging ik terug naar mijn vaders huis en die hadden twee kinderen. Het leek alsof ze altijd al hun tijd aan hen besteedden. Hij woonde bij zijn vader, die volgens Austin “een paar keer eerder tegen me zei dat hij me haatte en dat hij wenste dat ik … niet zijn zoon was.” Kort voor de schietpartij kreeg Austin huisarrest vanwege slechte schoolresultaten en ontdekte hij dat zijn vriendin hem bedroog. Austin stal impulsief een pistool van zijn overgrootmoeder maar verklaarde dat hij niet van plan was het te gebruiken; hij was wel bang dat zijn stiefmoeder het gestolen pistool zou vinden en dat hij daardoor thuis nog meer problemen zou krijgen; dus nam hij het mee naar school. Austin was niet van plan om het pistool te gebruiken om zijn klasgenoten neer te schieten, maar de Adderall verstoorde zijn denken.

Op 6-jarige leeftijd kreeg Austin voor het eerst Elvanse (Vyvanse, lisdexamfetamine), een psychostimulerend middel dat wordt gebruikt om een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit te behandelen (ADHD). Op 11-jarige leeftijd schakelde Austin over op Adderall. Tegen de tijd dat hij 13 jaar was, spaarde Austin zijn Adderall op om er meerdere tegelijk in te kunnen nemen. Hij vertelt: “Ik gebruikte het gewoon om van mijn gevoelens af te komen. Maar nadat het medicijn was uitgewerkt, voelde ik me alleen maar slechter… Ik wilde er gewoon high van worden, denk ik, om al die dingen te verlichten, al die emoties die ik voelde… Maar de Adderall leek op de een of andere manier met mijn emoties te knoeien, het maakte me alleen maar bozer en depressiever.”

De avond voor de schietpartij op school, rapporteerde Austin dat hij verschillende pillen Adderall had ingenomen. Op school liet hij het pistool aan een vriend zien. Austin vertelde later: “Ik had gewoon het gevoel dat hij het aan iemand zou gaan vertellen, dus ik begon echt angstig te worden en wist niet wat ik moest doen… Ik zag mijn maat tegen een meisje fluisteren dat ik het pistool had en zij raakte in paniek. En daar kwam nog bij dat ik de avond ervoor Adderall had genomen, de Adderall die ik had gespaard, en die ik die ochtend had gebruikt … dat versterkte echt mijn angst. Toen raakte zij in paniek en rende naar de administratie. Vanaf dat moment voelde het alsof ik een black-out kreeg en toen gebeurde er van alles. Het leek alsof alles vervaagde.”

De tienerjongens en jongemannen met wie ik spreek, vertellen me dat ze geen enkele hoop hebben dat het aantal schietpartijen op scholen zal afnemen, omdat ze in het nieuws alleen maar allerlei plannen van de autoriteiten horen over hoe ze de schietpartijen beter onder controle kunnen houden. Deze jongeren vertellen me dat ze woedend zijn over verplichte geestelijke gezondheidsonderzoeken en “zero tolerance” als er op school een ongevoelige grap wordt uitgehaald. Daarom zijn ze er zeker van dat het effect op kinderen met een groter geweldspotentieel rampzalig zal kunnen uitpakken.

Deze jongemannen wijzen niet alle volwassenen af, want ze hebben veel respect voor volwassenen die hun wereld “snappen”, vooral volwassenen die net zo’n hekel hebben aan dwang als zij. Het is mijn ervaring dat al deze jongemannen een groot respect hebben voor Matt Stone en Trey Parker, de makers van South Park. Matt Stone groeide op in Littleton, Colorado, en ging ongeveer tien jaar voor het bloedbad in Columbine naar Heritage High School (de sportrivaal van Columbine).

Stone zegt in een clip (uit de film Bowling for Columbine) iets waarmee deze jonge mensen zich kunnen identificeren: “Ik herinner me dat ik in de zesde klas zat en een wiskundetoets moest maken om in de zevende klas voor wiskunde voor gevorderden te worden toegelaten. Er werd gezegd: ‘Verknal dit niet. Want als je dit verpest, kom je niet in de wiskundeklas voor de beste leerlingen in groep 7.’ En natuurlijk als je in groep 7 geen wiskunde voor de beste leerlingen krijgt, krijg je in groep 8 ook geen wiskunde voor de beste leerlingen. …en dan niet in de 9e, 10e en 11e klas en dan zul je arm en eenzaam sterven… Een heleboel ligt aan kinderen, maar de leraren en adviseurs en schooldirecteuren helpen ook niet bepaald mee. Ze maken je bang zodat je je conformeert en het goed doet op school door te zeggen: ‘Als je nu een loser bent, zul je voor altijd een loser blijven. Dus dat met Eric en Dylan- nou? -mensen noemden hen ‘flikker’. Toen zeiden zij: ‘Weet je wat? Als ik nu een flikker ben, dan ben ik voor altijd een flikker. En je zou willen dat iemand ze even vastpakte en zei: ‘Gast, de middelbare school is niet het einde’ … Al in groep 6 stampen ze het in je hoofd: ‘Verkloot het niet, want als je het wel doet, zul je arm en eenzaam sterven. En dat wil je niet. En dan denk je: ‘Verdomme, wat ik nou ben, dat blijf ik voor altijd.”

De jongeren met wie ik praat brengen veel tijd door op het internet, waar een aantal van hen Noam Chomsky hebben ontdekt, en ze resoneren met zijn minachting voor dwang. Chomsky vertelt over zijn tijd op de Central High School in Philadelphia, een school die hoog aangeschreven stond, maar die hij haatte: “Het was de domste, meest belachelijke plek waar ik ooit ben geweest, het was alsof ik in een zwart gat viel of zo. Ten eerste was het er extreem competitief, want dat is een van de beste manieren om mensen onder controle te houden. Dus iedereen was gerangschikt en je wist altijd precies waar je stond… Al deze dingen worden op scholen op verschillende manieren in de hoofden van mensen gestampt – dat je het beter moet doen dan de persoon naast je en dat je vooral goed voor jezelf moet opkomen.”

Als volwassenen zelf niet enigszins pissig zijn op hun eigen ervaringen op school, zullen ze niet in staat zijn om contact te maken met deze jongeren. Chomsky is ook boos: “Alsof je van een stomme leraar te horen krijgt: ‘Doe dit’ en je weet dat het nergens op slaat, maar je doet het, en als je het doet kom je op de volgende tree van de ladder, en dan voldoe je gehoorzaam aan een volgende opdracht. Uiteindelijk werk je je er zo doorheen en krijg je je diploma. Heel veel onderwijs is op die manier ingericht… Sommige mensen gaan erin mee omdat ze denken: “Oké, ik zal elk stom ding doen dat die klootzak zegt omdat ik vooruit wil komen”. Anderen doen het omdat ze de waarden gewoon hebben geïnternaliseerd… Maar je doet het, anders lig je eruit: als je te veel vragen stelt, kom je in de problemen. Nu zijn er ook mensen die niet meewerken en die worden gezien als iemand met ‘gedragsproblemen’ of die ‘ongemotiveerd’ is of van dat soort termen.”

Psycholoog James Garbarino concludeert in zijn goed onderbouwde boek Lost Boys: Why Our Sons Turn Violent and How We Can Save Them uit 1999 dat “wanneer jongens moorden, ze op zoek zijn naar gerechtigheid, zoals zij het zien, vanuit hun optiek”. Ze voelen zich vaak een last voor hun ouders, een ergernis voor hun leraren en een paria onder hun leeftijdsgenoten. Ze raken hopeloos, wanhopig dat er nooit een einde aan hun overweldigende pijn zal komen. Dit is een belangrijke voedingsbodem voor geweld tegen zichzelf en/of anderen.

Niet alleen van hun leerkrachten en schoolhoofden tijdens hun schooltijd en van hun ouders en stiefouders in hun gezinsleven, maar ook door “peer shaming” op het internet (gelijkgestemden), hebben deze jongeren geleerd dat de maatschappij over het algemeen een onverschillige plek is met roofdieren en prooien, uitbuiters en de uitgebuite, onderdrukkers en onderdrukten. Ze voelen vaak zoveel uitzichtloosheid dat ze niet kunnen denken dat er een andere weg is dan die van dader of die van slachtoffer.

Ik heb geen wondermiddel tegen de hopeloosheid van jongeren ten aanzien van de Amerikaanse samenleving, maar er kan wel een wondermiddel zijn tegen de hopeloosheid ten aanzien van hun persoonlijke leven: een wederzijds respectvolle en liefdevolle relatie met een geweldloos persoon. Als ze in contact komen met een volwassene die overweldigende pijn heeft ervaren maar die een vreugdevoller leven is gaan leiden, kunnen ze hoop krijgen dat hun eigen pijn misschien niet blijvend is. Sommige probleemjongeren zijn zo wantrouwend tegenover volwassenen dat ze nooit het risico van zo’n relatie zullen nemen, maar sommigen zullen dat wel doen.

Zo’n helende relatie begint met een volwassene die zich emotioneel verbindt met de woede, vervreemding en hopeloosheid van een jongere. Helaas zijn leraren, schooldirecteuren, politici, politie, psychiaters, psychologen, ouders en andere autoriteiten te vaak gewend aan het idee dat ze gezag hebben over jongeren als ze hun woede, vervreemding en hopeloosheid ontkennen. Dus krijgen jongeren van hen preken die – zelfs met Adderall – de aandacht niet opeisen; en krijgen ze verhoren die – zelfs met antidepressiva – aanvoelen als martelende ondervragingen.

Hoewel niet alle probleemjongeren bereikt zullen kunnen worden, zijn sommigen wel te bereiken. Volwassenen die woede, vervreemding en hopeloosheid ontkennen, geven zichzelf echter geen kans om contact te maken. En zonder verbinding is er geen echte dialoog. En zonder zo’n dialoog kunnen wij allemaal – vooral boze, vervreemde en hopeloze jongeren – ons laten meeslepen in onze eigen nonsens.

***Gepubliceerd op Mad in America, 18 maart 2018***

Mad in the America host blogs van een diverse groep schrijvers. Deze posts zijn bedoeld als een openbaar forum voor een brede discussie over de psychiatrie en haar behandelingen. De geuite meningen zijn van de schrijvers zelf.

Vorig artikelACT kan kans op terugval in psychose helpen reduceren
Volgend artikelKan ontwenning van psychiatrische medicijnen leiden tot PTSS?