vrijdag 02 oktober 2026
Start Psychofarmaca Goede geneeskunde begint bij eerlijkheid over wat we weten

Goede geneeskunde begint bij eerlijkheid over wat we weten

Robert Whitaker op het 5e Duitse Psychotherapiecongres

Bloem ligt er slap bij en is nog niet verwelkt, maar het gaat zo niet lang meer duren...

Door Mad in Deutschland – 25 augustus 2026

Het was één van de meest opvallende programmaonderdelen van het Duitse Psychotherapiecongres van dit jaar in Berlijn: Robert Whitaker, een Amerikaanse wetenschapsjournalist en auteur van Anatomy of an Epidemic. Zijn lezing had als titel “The disease model has failed. Now what?“ (Het biomedische model heeft gefaald. Wat nu?). Op verzoek van de organisatoren sprak Whitaker uit de losse pols en zonder dia’s, maar met de precisie van een verslaggever die al meer dan twee decennia de psychiatrische onderzoeksliteratuur onder de loep neemt.

Falend systeem geen waardeoordeel van een externe criticus

Zijn startpunt: het jaar 1980, toen de American Psychiatric Association met de derde editie van haar Diagnostisch en Statistisch Handboek (DSM-III) het zogenaamde ‘medische model van psychische stoornissen’ vastlegde. De toenmalige APA-voorzitter noemde het later ‘het boek dat alles veranderde’. Whitaker is het daar helemaal mee eens: “Het heeft veranderd hoe we onszelf begrijpen, hoe we onze kinderen opvoeden en over hen denken”. Dit model werd vervolgens over de hele wereld verspreid. Zesenveertig jaar later, zo luidt Whitakers kernstelling, kun je de balans van dit ziektemodel zelf opmaken aan de hand van de wetenschappelijke literatuur. De conclusie is duidelijk: dit model is op alle vlakken mislukt. De wetenschappelijke hypothesen zijn onjuist gebleken en de grootschalige medicatie heeft het lijden van veel mensen niet verlicht, maar juist chronisch gemaakt.

“We zijn op een punt gekomen waarop we ons begrip van psychiatrische stoornissen opnieuw onder de loep moeten nemen, evenals ons gebruik van psychiatrische medicijnen”, aldus Whitaker in zijn openingswoord.

Dat is geen waardeoordeel van een externe criticus, maar kan stap voor stap worden teruggevoerd op de eigen resultaten en uitspraken van vooraanstaande vertegenwoordigers van de psychiatrie. Precies deze rode draad, van de invoering van de diagnostische categorieën via het medicijnonderzoek tot de huidige zorgcijfers, volgde Whitaker in zijn lezing. Dat leidde uiteindelijk tot de vraag die het tweede deel van de titel vormt: wat nu?

Het verhaal van de chemische onbalans

In 1984 bracht psychiater Nancy Andreasen, later hoofdredacteur van het American Journal of Psychiatry, met haar boek The Broken Brain een nieuw begrip van ziekte onder de aandacht van een breed publiek. Psychische aandoeningen zouden ziekten zijn zoals diabetes of kanker, veroorzaakt door chemische onevenwichtigheden in de hersenen die met medicijnen gecorrigeerd konden worden. Kort daarna verspreidde zich het verhaal dat depressie te wijten zou zijn aan te weinig serotonine en schizofrenie aan te veel dopamine. Antidepressiva en antipsychotica zouden deze onevenwichtigheden in evenwicht brengen zoals insuline bij diabetes.

Whitaker, die in de jaren tachtig en negentig als medisch journalist over dit verhaal schreef, maakte duidelijk hoe verleidelijk dit verhaal was: “Als dit verhaal waar zou zijn geweest, dan was dat de grootste vooruitgang in de geschiedenis van de gezondheidszorg geweest.“

Gezien de complexiteit van het menselijk brein zou het inderdaad een sensationele prestatie zijn geweest wanneer dat éne molecuul gevonden was dat psychoses of depressies veroorzaakt.

De belangrijkste journalistieke vraag van Whitaker is sindsdien een andere geweest:

“Is de psychiatrie, met behulp van de farmaceutische industrie, eerlijk tegenover haar eigen onderzoek?”

Zoals hij uitlegde, is de serotoninehypothese niet ontstaan uit observaties bij zieke mensen, maar uit de werking van de eerste antidepressiva op de neurotransmissie. Een werkingshypothese werd achteraf omgezet in een ziektehypothese, net zoals bij de dopaminehypothese van schizofrenie.

Robert Whitaker constateert:

“Het ironische is: wie een antidepressivum neemt, had daarvoor geen verstoord serotoninesysteem maar daarna wel. Het medicijn veroorzaakt juist het probleem dat je hypothetisch als oorzaak van de depressie vermoedde.”

Constructen in plaats van gevalideerde ziekten

Bijzonder indrukwekkend waren de citaten die Whitaker aanhaalde uit een interne DSM-5-werkgroep rond 2010:

  • Thomas Insel, destijds directeur van het National Institute of Mental Health (NIMH), gaf toe dat de kracht van de DSM-edities in hun reliabiliteit (MitN: meting bij herhaling soortgelijke uitkomst) ligt, niet in hun validiteit (MitN: meet het wel het juiste en met ’t juiste doel).
  • Nancy Andreasen verklaarde zelf dat de DSM-diagnoses het onderzoek weliswaar een gemeenschappelijke terminologie hebben gegeven, maar waarschijnlijk de verkeerde.
  • De psychiater Joel Paris gaf toe dat men simpelweg niet wist of schizofrenie, een bipolaire stoornis of een obsessief-compulsieve stoornis ‘echte’ ziekten waren.
  • Alan Frances, de hoofdontwerper van de DSM-IV, noemde de diagnoses later ‘op zijn best praktische constructies’.

Wie in de jaren negentig in het openbaar twijfelde aan de geldigheid van deze diagnoses, aldus Whitaker, werd neergezet als een aanhanger van de platte aarde, alsof er iets mis was met je en alsof je niet helemaal goed bij was. Zijn eigen samenvatting van het huidige bewijsmateriaal was bijzonder nuchter:

“De hypothese van de chemische onbalans is al decennia geleden in elkaar gestort. De diagnostische categorieën in de DSM worden inmiddels gezien als constructen, niet als gevalideerde ziekten.”

Wat de langetermijngegevens laten zien

De kern van de lezing was de vraag naar de langetermijneffecten van psychiatrische medicijnen. Hierbij werd verder gekeken dan alleen de korte registratieonderzoeken (registry) en terugvalstudies (relapse) waarop de psychiatrie doorgaans gestoeld is. Whitaker schetste de ontwikkelingen sinds 1955. Volgens de huidige stand van het onderzoek zou, vóór de introductie van antipsychotica, ongeveer tweederde van de patiënten met een eerste diagnose binnen vijf jaar weer zelfstandig in de samenleving hebben geleefd. Mét de komst van neuroleptica ontstond daarentegen het fenomeen van de ‘draaideurpsychiatrie’: snellere verbetering, maar vakere terugval. Drie door het NIMH gefinancierde studies uit de jaren 70 lieten zien dat patiënten die weinig of geen antipsychotica gebruikten, op de lange termijn beter af waren. De schizofrenieonderzoeker William Carpenter stelde daarop de hypothese dat antipsychotica de hersenen biologisch kwetsbaarder kunnen maken voor terugval: een dopamine-overgevoeligheid, zoals dat later door onderzoekers werd beschreven.

Ook de vergelijkende studies van de WHO uit de jaren 80, waarin patiënten in India en Nigeria een duidelijk beter verloop lieten zien dan die in westerse landen, zouden volgens Whitaker een soortgelijk beeld geven. In de landen met de beste resultaten werden de medicijnen eerder tijdelijk dan langdurig gebruikt. De beeldvormingsonderzoeken van Andreasen uit de jaren negentig toonden bovendien een afname van het hersenvolume aan bij gebruik van antipsychotica. Dit effect kon ook bij gezonde apen worden nagebootst en ging gepaard met meer negatieve symptomen en cognitieve achteruitgang. Als het meest veelzeggende langetermijnonderzoek tot nu toe noemde Whitaker het werk van Martin Harrow en Thomas Jobe. Na een aanvankelijk vergelijkbaar verloop vertoonden patiënten zonder medicatie vanaf het derde jaar een duidelijk betere ontwikkeling dan met. Uiteindelijk werd een acht keer hoger herstelpercentage dan bij patiënten die wel medicatie kregen zichtbaar. Een Duits onderzoek uit 2016 met achtenveertig patiënten met aan schizofrenie gerelateerde aandoeningen kwam volgens Whitaker tot vergelijkbare resultaten. Hij wees vervolgens op de Duitse psychiater Volkmar Aderhold en diens richtlijn voor minimaal gebruik van neuroleptica.

Whitaker trok de parallel met antidepressiva. In de jaren zeventig werd depressie gezien als een episodische aandoening met een overwegend gunstig verloop. Door de brede inzet van antidepressiva verschoof het beeld naar chroniciteit en therapieresistentie.

Zijn lezing werd extra scherp toen hij het had over de STAR*D-studie, het grootste antidepressivumonderzoek van het NIMH. Publiekelijk werd gesproken over een remissiepercentage van 70 procent na vier probeerbehandelingen (met uiteenlopende antidepressiva). Na de ontdekking van methodologische fouten bleek het werkelijke percentage rond de 35 procent te liggen, met een gedocumenteerd stabiel herstelpercentage na één jaar van slechts zo’n 3 procent.

Whitaker haalde ook Rif El-Mallakh aan, een onderzoeker op het gebied van stemmingsstoornissen, die de term ‘tardieve dysforie’ bedacht voor de mogelijke aandoening van een door SSRI’s veroorzaakte chronische depressieve stemming (El-Mallakh et al., 2011).

Whitaker benadrukte meerdere keren dat hij geen ‘externe critici’ aanhaalde: “Ik citeer degenen die het beleid bepalen, de top van het NIMH.”Eén van die verantwoordelijken vatte de paradox treffend samen: “In de geneeskunde is het eigenlijk een vrij zekere gok dat sterfte en invaliditeit afnemen als je meer mensen behandelt. Maar bij psychische aandoeningen worden tegenwoordig meer mensen dan ooit behandeld, en toch blijven sterfte en invaliditeit stijgen.”

Whitaker vatte het droogjes samen: “Hoe kan meer behandeling gepaard gaan met slechtere resultaten?”

Wat nu?

In het laatste deel pleitte Whitaker voor nederigheid in plaats van nieuwe zekerheden: “Je moet bescheiden zijn, de geest is een heel complexe ruimte en we weten echt niet wat psychiatrische stoornissen veroorzaakt.” Mensen zijn “heel emotionele wezens, die reageren op hun omgeving”.

Tegenslagen in het leven kunnen leiden tot een “verlatingsangstige, manische, waanachtige spiraal”, maar juist die omstandigheden kunnen ook een helende werking hebben. Wat de mens nodig heeft, is heel simpel: “We hebben iemand nodig om van te houden en we willen graag geliefd worden. We hebben zin in het leven nodig. We hebben zekerheid in het leven nodig.”

Als voorbeelden noemde hij de Finse Open Dialoog-praktijk met selectief, terughoudend medicijngebruik en duidelijk betere langetermijnresultaten alsook de door Loren Mosher geïnitieerde, en weer nieuw leven ingeblazen Soteria-huizen (o.a. in Bern en Israël), Hij sprak van een medicijnvrije afdeling in Tromsø en over op vrijwiligerswerk gebaseerde benaderingen in Connecticut, waar mensen door vrijwilligerswerk te doen een nieuwe identiteit buiten de rol van patiënt vinden. Psychiater Nassir Ghaemi vatte de kern bondig voor Whitaker samen:

“Medicijnen zo laag gedoseerd en zo kort mogelijk gebruiken, want bewijs voor langetermijnvoordelen is nergens te vinden.”

Hoe verschillend deze benaderingen in hun uitwerking ook zijn, ze hebben toch dezelfde basishouding gemeen.

Whitaker benadrukte aan het einde van zijn lezing:

“Het is niet mijn rol als journalist is om de vakwereld voor te schrijven welke conclusies uit deze bevindingen moeten worden getrokken. Ik maak simpelweg zichtbaar hoe ver het publieke verhaal over psychiatrische zorg afstaat van wat de eigen onderzoeksliteratuur van het vakgebied al decennialang documenteert.”

Je kunt de volledige lezing van Robert Whitaker op het 5e DPK hier bekijken:

Link naar de video

Hier vind je de presentatiedia’s met de bronnen en studies die Robert Whitaker aanhaalde. De DPK-lezing was een verkorte versie van deze lezing:

***Gepubliceerd op Mad in Deutschland, 25 augustus 2026. Vertaald door MitN***

El-Mallakh, R. S., Gao, Y., & Jeannie Roberts, R. (2011). Tardive dysphoria: The role of long term antidepressant use in inducing chronic depression. Medical Hypotheses, 76(6), 769–773. https://doi.org/10.1016/j.mehy.2011.01.020

Mad in Deutschland publiceert blogberichten van een diverse groep auteurs. Deze bijdragen zijn bedoeld om de discussie over de psychiatrie en haar behandelmethoden in Duitsland aan te wakkeren. De geuite meningen zijn die van de auteurs.

Vorig artikelDat wat er niet meer is, dat wat er nog wel is