zaterdag 03 oktober 2026
Start Blogs Hechting als strategie: wat het Dynamisch Maturatiemodel toevoegt aan de klassieke hechtingstheorie

Hechting als strategie: wat het Dynamisch Maturatiemodel toevoegt aan de klassieke hechtingstheorie

Wat probeert dit gedrag te regelen, in deze relatie, op dit moment?

Het dynamisch maturatiemodel (DMM) in beeld; 3 lagen, 5 basiselementen. Deze zijn beschreven in de blog. Bron: www.depraktijkingelmunster.be

Door: Sara en Charline, De Praktijk – 13 juli 2026

Toen ik (Sara) zes was, stierf mijn vader. Mijn moeder kon daarna niet meer voor ons zorgen, en ik kwam terecht in de bijzondere jeugdzorg (België). Meer dan tien jaar lang ging ik van de ene voorziening naar de andere. Andere school, ander bed, andere leefgroep. Ik was, om het zacht uit te drukken, een turbulente puber. Ik schopte tegen elke grens die ik tegenkwam.

In al die jaren, met honderden hulpverleners over mijn pad, kan ik op één hand tellen wie er echt iets heeft betekend. Niet de hulpverleners die mijn opstandige gedrag wilden corrigeren. Wel de hulpverleners die voorbij dat gedrag keken, en zagen wat ik probeerde te regelen. Dat verschil voel je als kind. Je weet meteen of een connectie echt is, of dat iemand alleen je gedrag aan het managen is.

Jaren later, als hulpverlener zelf, herkende ik dat verschil bij anderen niet meteen in een model of een theorie. Ik werkte vanuit boeken, vanuit kaders, vanuit taal. Tot Charline op mijn pad kwam met het Dynamisch Maturatiemodel, het DMM van Patricia Crittenden. Dat was het puzzelstukje dat voor mij alles samenbracht: hoe je naar gedrag kijkt, en vooral hoe je van de snelle oplossing afstapt en naar de onderliggende behoefte gaat. Toen ik dat vertaalde naar de hulpverleners die mij ooit wel bereikten, begreep ik wat zij deden zonder het zo te benoemen: ze keken naar de basisbehoefte van het kind dat voor hen zat, niet naar het gedrag op zich.

Charline kwam langs een heel andere weg bij hetzelfde inzicht. Als jonge psychologe vond ze geen werk, en trok ze een jaar als vrijwilliger naar Bosnië om er met heroïneverslaafde jongvolwassenen te werken. De Belgische drughulpverleningsdienst De Sleutel steunde haar project en stond haar bij met raad waar nodig. Samen met hen zette ze ook een soort drugtelefoon op in Mostar. Ze leerde daar wat veerkracht echt betekent, niet als modewoord maar als iets wat je ziet bij mensen die alles hebben meegemaakt en toch nog lachen, dansen, verhalen vertellen. Ondertussen werkt ze als klinisch en forensisch psycholoog.

Dat is ook precies waar het DMM over gaat. En het is, denken we, relevant voor iedereen die met complex menselijk gedrag werkt, ongeacht het kader waarin je dat doet.

Waar klassieke hechtingstheorie vastloopt

De klassieke hechtingstheorie, met Bowlby en Ainsworth als grondleggers, heeft het veld onmisbare taal gegeven. Veilig, vermijdend, ambivalent: het zijn termen die generaties hulpverleners hebben helpen kijken naar relaties. (Zie de kwartaalthema’s over hechtingsstijlen en subpatronen. Maar in de praktijk, bij volwassenen met complexe casussen, lopen die termen tegen hun grenzen aan.

Het eerste probleem is dat hechtingsstijlen vaak als vaste eigenschap worden gebruikt. Iemand is vermijdend gehecht, alsof dat een permanent label is, los van context. Het tweede probleem is dat klassieke categorieën weinig richting geven op het moment zelf. Een therapeut die weet dat een cliënt vermijdend gehecht is, weet daarmee nog niet wat ze in de sessie moet doen wanneer het gesprek kantelt. Het derde probleem is dat de klassieke indeling is ontwikkeld voor kinderen, en zich moeizaam laat vertalen naar de complexiteit van volwassen relaties, werkrelaties, en therapeutische relaties.

Het DMM van Crittenden is voortgekomen uit precies dat werk van Ainsworth, Crittenden werkte zelf met haar samen, maar het buigt het kader om naar iets functioneels. Niet: wat ben je? Wel: wat probeert dit gedrag te regelen?

De driehoek: gedrag, patroon, functie

Bron: http://www.depraktijkingelmunster.be/
Bron: http://www.depraktijkingelmunster.be/

Een centraal hulpmiddel in het dynamisch maturatiemodel (DMM) is een eenvoudige driehoek met drie lagen.

Bovenaan staat het gedrag: wat je ziet en hoort. Iemand die niet komt opdagen. Iemand die voortdurend appt tussen de sessies. Iemand die alles begrijpt maar niets verandert.

Daaronder ligt het patroon: wanneer stelt het gedrag zich, bij wie, in welke context, en hoe verloopt het stap voor stap? Een no-show die zich altijd voordoet net voor een moeilijk onderwerp, is iets anders dan een no-show door een file.

Onderaan, als fundament, ligt de functie: wat probeert dit gedrag te beschermen of te regelen? Veiligheid, voorspelbaarheid, troost, nabijheid.

De meeste hulpverlening, en dat geldt voor onderwijs, psychiatrie en justitie evengoed als voor een privépraktijk, blijft hangen bovenaan die driehoek. Je reageert op het gedrag zelf. Iemand wordt agressief, je grijpt in op de agressie. Iemand annuleert vaak, je spreekt iemand aan op de annulaties. Dat werkt soms op korte termijn. Maar het probleem zelf verandert niet, omdat je nooit bij de functie bent uitgekomen.

Wie wel naar de functie kijkt, krijgt een ander aangrijpingspunt. Niet: waarom doe je dit? Wel: wat probeert dit te regelen? Die ene vraag verandert het hele gesprek. Daarom kijken we naar complex gedrag vanuit het DMM met een andere bril, een klinische blik gericht op de functie van het gedrag.

De vijf basiselementen van het Dynamisch Maturatie Model (DMM)

Het DMM bestaat uit vijf elementen die samen die functionele blik mogelijk maken.

Bron: http://www.depraktijkingelmunster.be/

Gevaar als organiserend principe.

Het DMM vertrekt niet vanuit veiligheid, maar vanuit gevaar. Het systeem van een mens organiseert zich rond de vraag wat op dit moment bedreigend voelt, of dat gevaar nu actueel is of stamt uit een veel ouder leerproces. Dat is een fundamenteel andere ingang dan de klassieke vraag naar gehechtheidsstijl. Het verklaart waarom iemand die objectief gezien veilig is, toch met haar hele systeem op scherp kan staan: het gevaar zit niet noodzakelijk in het hier en nu, het zit in wat ooit is geleerd.

Hechting als zelfbeschermende strategie.

Gehechtheidsgedrag is geen pathologie en geen karaktertrek. Het is een aangeleerde manier om jezelf veilig te houden in relatie. Strategieën zijn functioneel: ze hebben ooit geholpen om schade te beperken, ook al kosten ze vandaag iets. Dat is een verschuiving die in de praktijk veel ruimte geeft. Je werkt niet meer tegen het gedrag, je werkt mét de logica erachter.

Informatieverwerking via twee kanalen.

Het DMM onderscheidt een cognitief kanaal, denken, ordenen, plannen, analyseren, en een affectief kanaal, voelen, urgentie, nabijheid zoeken. Mensen die onder druk vooral op het cognitieve kanaal terugvallen, hanteren in het DMM een A-strategie. Mensen die vooral op het affectieve kanaal terugvallen, een C-strategie. Geen van beide is fout. Het systeem valt terug op het kanaal dat ooit het meest betrouwbaar was. Dat verklaart waarom de ene cliënt onder druk alleen maar preciezer en afstandelijker wordt, en de andere juist urgenter en meer op zoek naar contact. Hetzelfde gevaar, twee heel verschillende uitingen.

Relatiespecifieke verwachtingen.

Verwachtingen over relaties zijn niet globaal, maar specifiek per relatie. Iemand kan bij een partner heel anders functioneren dan bij een collega, en bij een therapeut weer anders dan bij een ouder. Dat betekent dat je een cliënt nooit kan begrijpen los van de relatie waarin je hem of haar ziet, ook de werkrelatie met jou als hulpverlener is daar één voorbeeld van.

Een dynamisch levensloopperspectief.

Strategieën zijn niet vastgeklikt. Ze veranderen doorheen het leven, afhankelijk van nieuwe ervaringen en nieuwe context. Dat is meteen ook waarom het model dynamisch heet: het beschrijft geen vaste toestand, maar een proces dat kan groeien, vastlopen, en verschuiven.

Samen geven die vijf elementen een kader dat niet vraagt naar een label, maar naar een functie, in een specifieke relatie, op een specifiek moment, met ruimte voor verandering. Dat is precies wat veel klinisch geschoolde hulpverleners missen wanneer ze met complexe casussen vastlopen: niet meer theorie, maar een kader dat richting geeft op het moment zelf.

Waarom dit meer is dan een ander model naast de rest

Wie al jaren werkt, kent meestal al klassieke hechtingstheorie, trauma-inzichten en verschillende therapeutische stromingen. Die kennis is niet het probleem. Het probleem is dat die kennis op het moment zelf, midden in een sessie die vastloopt, niet altijd voorhanden is. Je weet pas achteraf, bij het schrijven van je verslag, wat er waarschijnlijk speelde.

Het DMM verandert daar iets fundamenteels aan, omdat het geen extra theoretische laag toevoegt, maar een andere vraag stelt. Niet: welk label past hier? Wel: wat probeert dit te regelen, in deze relatie, op dit moment? Die vraag is bruikbaar binnen elke therapeutische stroming, of je nu psychoanalytisch, gedragstherapeutisch of systemisch werkt. Het model voegt zich naar jouw kader, niet omgekeerd.

Wat probeert dit gedrag te regelen,

in deze relatie, op dit moment?

En het sluit aan bij iets dat in de hulpverlening steeds belangrijker wordt erkend: dat een label zelden de volledige werkelijkheid van een mens vat. Niet om gedrag goed te praten of weg te relativeren, maar om precies genoeg te kunnen kijken dat je ziet wat er functioneel achter zit. Dat vraagt iets anders dan diagnostiek. Het vraagt nieuwsgierigheid naar de functie, en de bereidheid om voorlopig te blijven in je interpretaties.

Tot slot

Geen van ons is bij het DMM terechtgekomen vanuit een zuiver theoretische interesse. We kwamen er allebei via een omweg, de ene via de jeugdzorg, de andere via een land ver van hier waar veel werd meegemaakt en toch ook veel werd gelachen. Misschien is dat ook de kern van wat het model ons leert: dat wat iemand heeft meegemaakt, en wat iemand vandaag doet om daarmee om te gaan, zelden los van elkaar te begrijpen zijn. En dat het onze taak als hulpverlener is om daar voorbij het zichtbare gedrag naar te blijven kijken.

***Deze blog verscheen voor het eerst op Mad in the Netherlands, 13 juli 2026***

Bronnen en verdere lectuur

  • Crittenden, P.M.& Landini, A. (2011).Assessing Adult Attachment: A Dynamic-Maturational Approach to Discourse Analysis. W.W. Norton & Company.
  • Crittenden, P.M. (2015). Raising Parents: Attachment, Representation, and Treatment. Routledge.
  • Crittenden, P.M., Dallos, R., Landini, A. & Kozlowska, K. (2014). Attachment and Family Systems Therapy. Routledge.
  • Crittenden, P.M. (2017). Danger, Development and Adaptation: Seminal Papers on the Dynamic-Maturational Model of Attachment and Adaptation. Waterside Press.
  • Bowlby, J. (1969). Attachment and Loss, Volume 1: Attachment. Hogarth Press.
  • Ainsworth, M.D.S. e.a. (1978). Patterns of Attachment: A Psychological Study of the Strange Situation. Lawrence Erlbaum.

Sara en Charline zijn de oprichters van De Praktijk, waar ze psychologen en therapeuten uit Vlaanderen en Nederland opleiden om hechting als strategie te leren herkennen in complexe casussen. Wil je dieper in het DMM duiken? Op www.depraktijkingelmunster.be vind je ons gratis webinar over hechting als strategie in de praktijk

Vorig artikelScha(n)de der psychiatrie
Volgend artikelWelkom in Siberië aan Zee