donderdag 01 oktober 2026
Start Blogs Geweld in de jeugdzorg: Over institutioneel verraad en de kracht van kunst

Geweld in de jeugdzorg: Over institutioneel verraad en de kracht van kunst

Een tegen-archief van de werkelijkheid

Schilderij gemaakt door Jimmy en door Alex ( een van de creatieve kind- delen).
Rennende haas 20 x 30 cm pastel op papier (Alex & Jimmy) - Bron: https://www.jimmygroen.be/trauma-art-archive

Geweld in de jeugdzorg is een diep beladen onderwerp. Het botst frontaal met ons collectieve beeld van de staat als ‘weldoener’. Toch wordt dat beeld genadeloos doorkruist door duizenden verhalen over misbruik, vernedering en structureel geweld. Wat opvalt, is dat in vrijwel al deze gevallen van langdurige kindermishandeling geen recht is geschied. Slachtoffers werd – en wordt – de mond gesnoerd.

Door Jimmy Groen – 8 april 2026

Dat is geen toeval. Onder mijn pseudoniem Jasper Heijting schreef ik al over de loodzware omstandigheden van het opgroeien in de jeugdzorg en de complexe, levenslange gevolgen daarvan. Mijn beeldende kunst ontstond uit noodzaak: binnen de reguliere geestelijke gezondheidszorg bleek het namelijk onmogelijk om te spreken over het systematische staatsgeweld dat duizenden kinderen is aangedaan.

Hier is sprake van wat we noemen institutioneel verraad. Een overheid die gezinnen ontwricht, ouders en kinderen scheidt en hen overlevert aan een systeem van uitwissing, handelt exact tegenovergesteld aan wat je mag verwachten. De psychische en fysieke schade voor slachtoffers is vaak levenslang.

Maar daar stopt het niet. Het tweede verraad vindt plaats bij de overheid en de instellingen zelf. Door middel van gaslighting – het verdraaien van de waarheid en het bagatelliseren van feiten – worden slachtoffers weggezet als fantasten. Deze secundaire victimisatie zorgt ervoor dat slachtoffers opnieuw worden beschadigd door de instanties die hen hadden moeten beschermen.

Het diepste verraad: Van ‘methode’ naar levenslang label

Het diepste verraad wordt pijnlijk duidelijk wanneer we kijken naar de gebruikte ‘staatsmethodieken’. Neem bijvoorbeeld de opgelegde ‘horizontale hechting’ in kinderhuizen. Deze gedwongen dynamiek leidde tot blijvende, levenslange littekens in de emoties, seksualiteit en het wereldbeeld van degenen die dit moesten ondergaan.

Juist hier zien we een giftige samenwerking tussen de geestelijke gezondheidszorg, de samenleving en de overheid. In plaats van erkenning worden er labels geplakt. Slachtoffers krijgen diagnoses als ‘gestoord’ of ‘monster’, terwijl zij simpelweg probeerden te overleven in een uiterst inhumane situatie.

Stel je voor: een kind, bruut gescheiden van ouders, broers en zussen. Geplaatst in een kille omgeving waar elke binding met een volwassene bewust onmogelijk is gemaakt. Als laatste strohalm voor menselijkheid zoekt zo’n kind nabijheid en lichamelijk contact bij leeftijdsgenoten. En precies dat overlevingsmechanisme wordt later in het leven tegen het slachtoffer gebruikt. Als slachtoffer sta je met de rug tegen de muur; je kunt nergens heen.

De muur van de GGZ

Slechts twee keer lukte het mij om binnen de GGZ mijn verhaal te delen, maar de reacties waren verbijsterend. Terwijl misbruikzaken binnen de Kerk inmiddels – terecht – serieus worden genomen, werd mijn verhaal omgedraaid. Voor mij leek de GGZ een verlengstuk van de overheid.

In 1997 vroeg de VU Amsterdam mij: “Wat deed jíj als kind verkeerd, dat je pleegmoeder je jarenlang martelde?” In 2016 deed een psychotherapeute geweld in de jeugdzorg af als een incident: “Zie het als pech gehad. Alsof je meedoet aan een wielerwedstrijd en een lekke band krijgt. Over jeugdzorggeweld gaan we het hier niet hebben.”

Het resultaat? Een levenslang zwijgen. Er is nauwelijks therapie beschikbaar die de destructieve dynamiek begrijpt van zeventien jaar lang systematisch geweld, onthechting, dwangarbeid en sociaal isolement. Dat is niet zomaar een ‘moeilijke jeugd’; dat is een verwoest fundament, een uitgewist gender en ontheemding van  familie en vaderland.

Verbeelding als kracht: Het archief als tegenstem

Mijn traumakunst was nooit bedoeld voor het internet. Jarenlang zaten mijn tekeningen veilig opgeborgen in een map. Elke lijn was een fragment van alles wat ik sinds mijn derde levensjaar met me meedraag; een stukje van een versplinterde identiteit, een emotie die geen woorden kende. Pas in 2026 besloot ik dit archief van tekeningen, collages en mono printen te openen. Niet als kunstproject, maar als getuigenis van een leven buiten de samenleving — een onzichtbaar lijden waar de wereld liever aan voorbijgaat.

De verbeteringen die we nu zien voor kinderen in de jeugdzorg voelen dubbel. Enerzijds is het een troost, anderzijds vergroot het de leegte en het verlies over de ontberingen die ik zelf heb doorstaan. Mijn werk is ook een directe aanklacht: welk moreel recht heeft een overheid om te oordelen over mensen die zij zelf diepgaand heeft beschadigd? Een overheid die geen verantwoordelijkheid nam en tot op de dag van vandaag geen perspectief biedt.

Toen ik de leeftijd had om een opleiding te kunnen volgen, liet de jeugdzorg mij opzettelijk vallen. Ik werd dakloos, belandde in de prostitutie en moest stelen op Hoog Catharijne in Utrecht, ik sliep in de verslaafdenopvang en zelfs in een tentje in het bos. Alles leek erop gericht om mijn verhaal onzichtbaar te maken, zodat niemand zou weten wat er al die jaren was gebeurd. Zonder enige kunstopleiding begon ik te creëren. Wat ik hier uiteindelijk wel heb bereikt, is dat verbeelding mijn ultieme kracht werd.

Een tegenarchief van de werkelijkheid

Met dit archief wil ik het gesprek over jeugdzorg openbreken. Wij waren geen ‘probleemkinderen’. Wij waren niet lastig of slecht, en onze ouders waren dat ook niet. Al mijn broers en zussen die uit huis zijn geplaatst, zeggen nu hetzelfde: we waren beter af geweest bij onze eigen moeder. Onze huidige problemen zijn het resultaat van het systeem, niet van ons gezin.

Maar onze stemmen tellen niet in de papieren werkelijkheid van de staat. Mijn traumakunst is daarom een ’tegenarchief’. Het toont de rauwe realiteit die de officiële dossiers verzwijgen.

Hoe wel?

Het grootste deel van mijn leven ben ik dagelijks intensief bezig met de problematiek van mijn jeugd. Ik kreeg wel diagnoses – vijf trauma diagnoses, waaronder DIS – maar een werkelijke behandeling heb ik nooit gehad. Ik zou gewild hebben dat diagnoses onbelangrijk waren en er gekeken was naar wat voor mij behulpzaam was om in het dagelijks leven beter te functioneren, zodat ik gericht stappen kon zetten. Want nu ben ik –  met kalenderleeftijd van boven de 60 – nog altijd bezig met zaken van toen ik drie jaar oud was, zeven, elf – zonder dat er een werkelijk heden bestaat. Iemand een label opplakken is niet zo moeilijk: hulp bieden wel.

Mijn hoop is dat er een gespecialiseerde GGZ zou komen die de complexe problemen van deze groep  kinderen, volwassenen, maar ook hun (groot)ouders die te maken hebben (gehad) met jeugdzorg werkelijk begrijpt. Waarin geen vooroordelen heersen waarin bepaalde complexe gevolgen niet zouden mogen bestaan, te moeilijk of weerzinwekkend zijn om te begrijpen en te behandelen. Waarin je als kind van toen en volwassene van nu centraal staat, en niets onbespreekbaar is.

Pas als we stoppen met kijken naar papieren dossiers en beginnen te luisteren naar de geleefde ervaringen, kan er werkelijke hulp worden geboden. De kunst is mijn stem; nu is het tijd dat de samenleving echt gaat kijken.

Voor het tegen- archief, zie mijn website (in Engels): https://www.jimmygroen.be/trauma-art-archive

Mijn werk is ook te zien op de homepage van Mad in the Netherlands.

***Deze blog verscheen eerst op Mad in the Netherlands, 8 april 2026***

Mad in the Netherlands presenteert blogs van een diverse groep schrijvers. Deze berichten zijn bedoeld als een openbaar forum voor discussie over de psychiatrie en haar behandelingen. De geuite meningen zijn die van de schrijvers zelf.

Vorig artikelNu de DSM haar houvast verliest, grijpt de psychiatrie naar ‘neuro’
Volgend artikelDriedaags internationaal filmfestival ‘Rethinking Mental Health’