donderdag 01 oktober 2026
Start Blogs Geen over- of onderdiagnostiek van ADHD en autisme, maar een verwarrende mix...

Geen over- of onderdiagnostiek van ADHD en autisme, maar een verwarrende mix van meningen

Cruciaal is dat er geen neuro in neurodiversiteit zit...

Vraagtekens rondom het woord mentale stoornis.

Door Sami Timimi, MD – 27 februari 2026

Selma werd op tweejarige leeftijd in zorg genomen na ernstige verwaarlozing. Haar beide ouders hadden problemen met middelenmisbruik. Na mislukte plaatsingen in pleeggezinnen werd ze op elfjarige leeftijd in een kindertehuis geplaatst. Toen ze vijf was, werd bij haar een hechtingsstoornis vastgesteld. Op twaalfjarige leeftijd, toen ze impulsief en ongeorganiseerd gedrag vertoonde, werd bij haar ADHD (Attention-deficit/hyperactivity disorder) vastgesteld. Op vijftienjarige leeftijd stopte ze met naar school gaan. Kort daarna werd bij haar autisme gediagnosticeerd. Nu, op 23-jarige leeftijd, is bij haar in de tussenliggende jaren ook een angststoornis, posttraumatische stressstoornis en obsessief-compulsieve stoornis vastgesteld en twijfelt ze aan haar genderidentiteit. Ze beschouwt zichzelf als “meervoudig neurodivergent”. Ze krijgt verschillende psychiatrische medicijnen voorgeschreven.

Jordan is een 32-jarige komiek bij wie een jaar geleden ADHD werd vastgesteld. Hij kende veel collega-komieken die dezelfde diagnose hadden gekregen en die, net als hij, energiek en snel van begrip waren en een hectisch, ietwat ongeorganiseerd leven leidden. Hij betaalde voor een onderzoek en ontdekte dat hij ADHD had. Hij was een ijverige leerling die goed presteerde op school, maar zich vaak gedroeg als de ‘klasclown’. Hij was populair, sociaal en werkte hard. Nu beschouwt hij ADHD als zijn ‘superkracht’. Jordan is onlangs gestopt met het innemen van de dextroamfetamine die hem was voorgeschreven, omdat hij vond dat zijn creativiteit was afgenomen sinds hij daarmee was begonnen.

Sarah, een succesvolle 44-jarige muzikante die regelmatig voor live publiek optreedt, kreeg drie jaar geleden de diagnose autisme. Ze is een verlegen persoon en gelooft dat de diagnose een verklaring biedt voor waarom ze vaak te laat was, moeite had met relaties en het knagende gevoel had dat iedereen om haar heen succesvol was, terwijl zij dat niet was. Ze vroeg zich nu af of er meer aan de hand was dan alleen autisme. De laatste tijd voelde ze zich verward, huilde ze veel en wist ze niet waarom. Ze vraagt zich nu af of ze ook een bipolaire stoornis heeft.

Adam is een 18-jarige jongen met overgewicht die op 4-jarige leeftijd de diagnose autisme kreeg. Hij heeft aanzienlijke leermoeilijkheden en gaat naar een speciale school. Hij is meestal aardig, maar kan soms uitbarstingen hebben waarbij hij agressief kan worden. Hij heeft hulp nodig bij veel dagelijkse activiteiten. Hij is enig kind en zijn moeder, een alleenstaande ouder die dol op hem is, maakt zich zorgen over wat er met hem zal gebeuren als zij komt te overlijden.

Hoewel de bovenstaande gevallen fictief zijn, zijn ze gebaseerd op reële klinische en persoonlijke verhalen die ik in mijn praktijk ben tegengekomen. Ik vraag me vaak af wat al deze talloze gevallen gemeen hebben in termen van hun geschiedenis, functioneringsniveau en klinische behoeften. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de manier waarop ze de wereld ervaren. Is het gerechtvaardigd om ze allemaal in dezelfde psychiatrische categorieën onder te brengen? In de polikliniek voor geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jongeren van de Britse nationale gezondheidsdienst, waar ik tot voor kort werkte, kondigde onze manager aan dat 80% van onze patiënten “neurodivergent” is.

Het aantal diagnoses van ADHD en autisme is exponentieel gestegen, samen met de groeiende populariteit van het concept neurodiversiteit. Sommigen beweren dat er sprake is van een epidemie van overdiagnoses, terwijl anderen suggereren dat we al decennialang te weinig diagnoses stellen. Misschien is het probleem echter niet over- of onderdiagnose, maar de cultuur van psychiatrische diagnoses, of zelfs nog dieper: de transformatie van medische categorieën naar identiteiten.

ADHD en autisme zijn, net als de meeste psychiatrische labels, sociale constructies in plaats van biologische feiten. Net als een dwaallichtje verdwijnt het bewijs van hun bestaan als tastbare, meetbare aandoeningen in de bedrading van het lichaam en de hersenen van degenen die deze labels krijgen, bij nader onderzoek in het niets. De overtuiging dat er een neurologische basis is voor deze aandoeningen en dat de bevolking kan worden onderverdeeld in een ‘neurodiverse’ onderdrukte en onbegrepen groep en een ‘neurotypische’ onderdrukkende groep, is echter wijdverbreid.

De Australische socioloog Judy Singer bedacht de term neurodiversiteit voor het eerst in 1998 in een proefschrift waarin ze de opkomst van een nieuwe ‘handicap- en sociale beweging’ onder leiding van ‘autistische’ individuen documenteerde. Ze legde de tijdgeest van het ‘decennium van de hersenen’ vast – een initiatief uit de jaren negentig van de vorige eeuw, gelanceerd door de Amerikaanse president George H. W. Bush om het publiek bewust te maken van, en steun te vragen voor, hersenonderzoek. De hoop was dat dergelijk onderzoek de geheimen van de geest zou ontsluieren en nieuwe manieren zou creëren om psychische stoornissen te begrijpen en te behandelen. De verleiding om ons Zelf (innerlijk) te begrijpen door middel van neurowetenschap bleef bestaan, ondanks het feit dat miljarden dollars aan onderzoek in wezen niets opleverden. Er zijn geen unieke, karakteristieke en betrouwbare bevindingen gedaan in genetisch, neuro-anatomisch, neurofunctioneel of neurochemisch onderzoek. Daarom zijn alle beoordelingen van aandoeningen als ADHD en autisme gebaseerd op subjectieve interpretaties van bijvoorbeeld vragenlijsten of observaties. Er zijn geen harde biologische gegevens, zoals bloedonderzoek of hersenscans. Cruciaal is dat er geen neuro in neurodiversiteit zit.

Als we ‘neuro’ uit neurodiversiteit halen, blijft er alleen nog maar één betrouwbare uitspraak over de menselijke conditie in het algemeen over: dat er diversiteit bestaat. We zijn allemaal uniek. Uiteindelijk zijn we allemaal neurodivers, waardoor het concept en de subcategorieën ervan (zoals ADHD en autisme) pijnlijk nutteloos zijn om verschillende soorten mensen te onderscheiden en te classificeren.

Het gebrek aan bewijs in combinatie met het enthousiasme van nieuwe bekeerlingen heeft ervoor gezorgd dat het begrip neurodiversiteit steeds verder is uitgebreid. Afhankelijk van de definitie die je gebruikt, kan het nu niet alleen ADHD en autisme omvatten, maar ook bipolaire stoornis, schizofrenie, dyspraxie, dyslexie, epilepsie, psychopathie, sociopathie, het syndroom van Gilles de la Tourette, oppositioneel-opstandige gedragsstoornis (ODD) en soms zelfs de hele overkoepelende categorie van psychische stoornissen/ziekten.

Binnen de neurodiversiteitsbeweging zijn er verschillende stemmen die hun eigen visie als de enige authentieke voorstelling presenteren en kritiek leveren op elke definitie, theorie of praktijk die niet door “neurodiverse” mensen is ontwikkeld. Vijandigheid tegenover een materiële wetenschappelijke benadering wordt zo bevorderd en het publieke discours over ADHD, autisme en neurodiversiteit is doordrenkt van ‘scientism’, dat wil zeggen op geloof gebaseerde beweringen die zich voordoen als wetenschappelijke beweringen.

Toen ADHD en autisme werden opgeslokt door de neurodiversiteitsbeweging, werden ze niet langer gezien als stoornissen die behandeld en/of ondersteund moesten worden, maar als identiteiten die gewaardeerd moesten worden. Tegenstrijdige belangen leidden tot tegenstrijdige versies. Veel ouders waren van mening dat dit stoornissen waren die behandeld moesten worden, terwijl activisten beweerden dat dit natuurlijke verschillen waren die gevalideerd moesten worden. Sommigen zagen ze als identiteiten die empowerment gaven, anderen voelden zich gestigmatiseerd en machteloos. Velen leven met deze tegenstrijdigheden en zien het als een specifiek verschil, maar verwachten toch dat anderen (zoals werkgevers) zich aan hen aanpassen alsof ze een handicap/stoornis hebben.

Deze verwarring van constructies heeft een hoogtepunt bereikt waarbij de ballon van neurodiversiteit zo vol is met hete lucht dat hij op het punt staat te barsten. Het vertrouwen in keuzevrijheid, vrije wil, relaties, familie, geografische gemeenschappen of sociale klassenverschillen verdwijnt in de mist van sekte-achtige online, neuro-deterministische gemeenschappen die losstaan van de materiële realiteit en zich bezighouden met het creëren van uitsluitende taal en het gebruik van pseudo-activistische concepten om critici het zwijgen op te leggen. Ondertussen wordt de vraag naar diensten zo groot dat mensen zoals Adam, die aanzienlijke klinische en andere ondersteuning nodig hebben, het risico lopen achter het net te vissen.

Een doortastende inspanning om een einde te maken aan de mystificatie van neurodiversiteit had al lang geleden moeten plaatsvinden.

***Gepubliceerd op Mad in the UK, 23 februari 2026. Vertaald en bewerkt door MitN***

Sami Timimi, MD is kinder- en jeugdpsychiater, psychotherapeut en Fellow van het Royal College of Psychiatrists. Zijn nieuwe boek is Searching for Normal: A New Approach to Understanding Mental Health, Distress, and Neurodiversity (Britse versie en Canadese versie).

 Mad in the Netherlands presenteert blogs van een diverse groep schrijvers. Deze berichten zijn bedoeld als een openbaar forum voor discussie over de psychiatrie en haar behandelingen. De geuite meningen zijn die van de schrijvers zelf.

Vorig artikelVisueel sneeuwsyndroom (VSS): kunnen SSRI’s letterlijk je kijk op de wereld veranderen?
Volgend artikelKwartaalthema ‘De zin van het bestaan, missie en energie: een vergelijking van Logotherapie en Logosynthese®’