
Door Jo Ann Cook – 1 maart 2019
(Deel 1 van 2)
Op 18 december 2018 bracht de Amerikaanse Surgeon General Jerome Adams een volksgezondheidsadvies uit waarin hij ouders, leraren en gezondheidsprofessionals aanspoorde om iets te doen aan de epidemie van e-sigarettengebruik onder kinderen. In de waarschuwing werd herhaaldelijk benadrukt dat de nicotine in e-sigaretten verslavend is, schadelijk is voor de zich ontwikkelende hersenen omdat het effect heeft op het leervermogen, het geheugen en de aandacht, en de longen blootstelt aan schadelijke chemicaliën. In een persbericht zei een federale gezondheidsfunctionaris dat „we nog nooit hebben gezien dat het gebruik van welke stof dan ook onder Amerikaanse jongeren zo snel is gestegen…“ Om deze crisis aan te pakken, adviseerde Adams maatregelen om het gebruik van e-sigaretten binnenshuis en de verkoop ervan aan jongeren te beperken.
Waar de overheid ervoor koos om de toename van het gebruik van e-sigaretten apart aan te kaarten, negeert ze de enorme verspreiding van een ander soort gevaarlijke drug die door kinderen en jongeren wordt gebruikt: psychiatrische medicijnen.
Door miljoenen schoolgaande kinderen veelgebruikte medicijnen, zoals ADHD-stimulantia, antidepressiva en antipsychotica, blijken schadelijk te zijn voor de zich ontwikkelende hersenen en bovendien verslavend. Hoewel deze risico’s in de media vaak niet worden onderkend of gebagatelliseerd, bieden boeken zoals Rethinking Psychiatric Drugs van dr. Grace Jackson en Medication Madness van dr. Peter Breggin gedetailleerde onderbouwing van de werkingsmechanismen van deze medicijnen.
Wetenschappelijke studies, gerechtelijke documenten, rapporten van de FDA en ‘black-box’-waarschuwingen op bijsluiters schetsen een verontrustend beeld van de gezondheidsrisico’s op korte en lange termijn van deze medicijnen, die vaak ‘off-label’ worden voorgeschreven voor aandoeningen waarvoor het gebruik bij kinderen niet is goedgekeurd. Bijwerkingen zijn onder meer hallucinaties, hyperactiviteit, manie, verslaving, depressie, ernstige stofwisselingsstoornissen, hartziekten en beroertes, slaperigheid, akathisie, ernstige gewichtstoename, metabool syndroom, suïcidale neigingen en daadwerkelijke zelfmoorden, en vroegtijdig overlijden.
Toch wordt het wijdverbreide gebruik van deze zeer krachtige medicijnen, in plaats van als een crisis voor de volksgezondheid, juist gepresenteerd als een oplossing voor de volksgezondheid. En vandaag de dag is geen enkel kind in Noord-Amerika veilig voor deze door de overheid en het bedrijfsleven aangestuurde pill-pushing campaign, omdat die zich juist op onze scholen afspeelt.
Een verontrustende trend ontwikkelt zich
In 1990 werkte ik als maatschappelijk werker bij de afdeling Speciaal Onderwijs van een groot stedelijk schoolbestuur in Ontario, Canada. Mijn taak bestond onder meer uit het ondersteunen van leerlingen met leer-, aanwezigheids-, sociale en gedragsproblemen, zowel op de basisschool als op de middelbare school, samen met andere teamleden. Daarbij hoorde het opstellen van een sociale anamnese voor leerlingen met leer- of gedragsproblemen en het aanbevelen van strategieën of alternatieve schoolprogramma’s. Gedurende vijfentwintig jaar heb ik vrijwel alle denkbare gedrags- en leerproblemen bij kinderen en jongeren voorbij zien komen.
In die tijd was het gebruik van psychiatrische medicijnen bij jongeren zeldzaam tot ongekend, zelfs in de jeugdzorg waar ik eerder met getraumatiseerde jongeren had gewerkt. Het was ondenkbaar. Ik was dan ook stomverbaasd toen leraren halverwege de jaren negentig verschillende basisschoolleerlingen met wie ik werkte, doorverwezen naar artsen die hen stimulerende middelen zoals Ritalin of Concerta (methylfenidaat) voorschreven.
Ik vroeg me af hoe een pil kon verhelpen wat er speelde bij Ben, acht jaar, wiens moeder aan kanker lag te sterven; Jared, vijf jaar, wiens ouders onlangs uit elkaar waren gegaan; Jamie, negen jaar, wiens ouders worstelden met verslavingen; en Ruby, tien jaar, die bij haar moeder was weggehaald en in een pleeggezin was geplaatst. Alle leraren van deze kinderen vonden dat ze aandachts- of gedragsproblemen hadden. Zodra de leerlingen een diagnose kregen, hadden deze leraren de neiging om hun verwachtingen te verlagen en de schoolcijfers voor hen op te krikken, waardoor het leek alsof de medicijnen werkten.
Deze situatie bleef me dwarszitten, vooral toen ik steeds meer leerlingen tegenkwam bij wie ADHD was vastgesteld en aan wie stimulerende middelen waren voorgeschreven. Waarom kregen normale, kwetsbare kinderen medicijnen voorgeschreven die ernstige risico’s met zich meebrachten? Er waren veiligere alternatieven. Hoewel de medicijnen sommige kinderen tijdelijk kalmeerden, ontwikkelden anderen ernstige gedragsproblemen. In plaats van verbeteringen in gedrag of schoolprestaties te zien, begon ik gedrag te zien dat ik nog nooit eerder had meegemaakt.
Sommige kinderen reageerden door nog hyperactiever te worden, hun klaslokalen uit te rennen en te weigeren schoolwerk te doen. Ze waren snel geïrriteerd, ruziezoekend en agressief tegenover klasgenoten en leraren. Dit gedrag leidde meestal tot verdere medische onderzoeken, meer medicijnen, een overheidstoelage voor een beperking en speciale gedragstherapie.
Bijwerkingen en zelfmoorden
Toen, begin 2000, merkte ik dat de jongeren met wie ik werkte, van wie velen te maken hadden met moeilijke thuis- of schoolproblemen, nu antidepressiva voorgeschreven kregen. De tieners vertelden me in vertrouwen dat ze onder invloed van de medicijnen last hadden van paniekaanvallen, zelfhaat en zelfmoordgedachten die ze nog nooit eerder hadden gehad. Ik raakte nog meer van streek toen een leerling uit groep 8 tegen me begon te klagen dat hij het trillen van zijn gezichtsspieren niet kon tegenhouden. Bij hem was ernstige ADHD vastgesteld en hij kreeg Risperdal voorgeschreven, een antipsychoticum, in combinatie met Ritalin en Clonidine [een bloeddrukverlagend medicijn dat de activiteit van bepaalde zenuwsignalen in de hersenen dempt].
Toen ik de kinderarts van de jongen belde over zijn woede-uitbarstingen en het aanpakken van andere leerlingen, kreeg ik het advies om hem strenger aan te pakken, in plaats van hem minder medicijnen te geven. De dokter voegde later nog meer medicijnen, namelijk een antidepressivum, toe aan het dagelijkse regime van deze elfjarige.
Een ander kind, een zesjarig meisje dat Risperdal (antipsychoticum) had gekregen voor gedragsproblemen, gooide een stoel door een glazen scheidingswand in het kantoor van de directeur. Gewelddadige uitbarstingen op de basisschool en de middelbare school kwamen steeds vaker voor en politie-ingrijpen was bijna dagelijkse kost. Verschillende jongeren, waarvan één nog maar tien jaar oud, pleegden zelfmoord.
In 2007 stelde een psycholoog van onze staf dat twintig procent van onze leerlingen psychische problemen had. Ons zorgteam, bestaande uit psychologen en maatschappelijk werkers, had geen idee wie die twintig procent dan moesten zijn; wij hadden onze leerlingen nog nooit eerder als psychisch ziek beschouwd of behandeld. Maar in 2009 moest al het personeel van het schoolbestuur drie volle dagen een door de overheid verplichte training over geestelijke gezondheid volgen.
In de zes jaar daarna vonden er nog meer van dit soort workshops plaats. Ik zag hoe leidinggevenden zich gezamenlijk inspanden om schoolpersoneel aan te moedigen leerlingen door te verwijzen voor medische behandelingen. Leraren werden bij elke gelegenheid beïnvloed om te geloven dat de leer- en gedragsproblemen van hun leerlingen het gevolg waren van biologische stoornissen in de hersenen en dat het hun taak was om in te grijpen, zelfs als dat betekende dat ze zich moesten mengen in het privéleven van gezinnen en in persoonlijke medische beslissingen.
Stel je voor dat je als moeder bij een gesprek met leerkrachten zit om de schoolprestaties of het gedrag van Johnny te bespreken. Plotseling vertelt de leraar van je kind je dat hij naar een dokter moet voor een onderzoek naar een vermoedelijke ‘psychische stoornis’, wat meestal leidt tot een recept voor medicijnen. Omdat je wordt gewaarschuwd dat ‘de risico’s van niet ingrijpen’ tot negatieve gevolgen kunnen leiden (schooluitval, drugs- en alcoholmisbruik, jeugdcriminaliteit, slechte kansen op de arbeidsmarkt en gevangenisstraf), zul je waarschijnlijk toegeven. Wie wil zijn kind nu niet behoeden voor tragische gebeurtenissen in het leven?
Hoe is dit zover kunnen komen?
Wat ik op Canadese scholen zag, was overgenomen uit Amerika. Elke recente Amerikaanse president, van Bill Clinton tot Barack Obama, heeft scholen opgeroepen om ‘geestelijke gezondheidszorg’ te bevorderen. Maar de focus op medische oplossingen begon bij Surgeon General David Satcher, wiens National Action Agenda for Children’s Mental Health in 2001 verklaarde dat miljoenen kinderen leden aan psychische aandoeningen die ernstig genoeg waren om hun ontwikkeling te belemmeren. Volgens dit rapport konden deze aandoeningen, waaronder ADHD, depressie en angststoornissen, succesvol worden behandeld met ‘veilige en effectieve’ medicijnen.
Opvallend was dat de overheid de school aanmerkte als een essentiële plek om deze noodlijdende leerlingen te herkennen en hen te helpen toegang te krijgen tot de behandelingen die ze zogenaamd nodig hadden.
Onderwijzers kregen het advies om ‘op de signalen te letten’ en onmiddellijk in te grijpen door kinderen, zelfs al vanaf de kleuterschoolleeftijd, door te verwijzen naar zorgverleners voor een diagnose. Leraren werden aangespoord om informatie over geestelijke gezondheid in hun lesprogramma’s op te nemen en hun leerlingen te leren herkennen wat psychische aandoeningen zijn, hoe ze met stigma omgaan en wat de voordelen zijn van behandelingen voor geestelijke gezondheid.
Tegelijkertijd lanceerden de federale, staats- en gemeentelijke overheden in het hele land een reeks agressieve ‘geestelijke gezondheid’-voorlichtingscampagnes om zorgverleners in de frontlinie en gezinnen beter voor te lichten. De campagnes werden ondersteund door een eindeloze stroom advertenties in tijdschriften, op de radio en op tv, gesponsord door de farmaceutische industrie, waarin werd beweerd dat de vroege symptomen van psychische aandoeningen al bij kinderen van twee jaar konden worden opgemerkt en succesvol konden worden behandeld met psychiatrische medicijnen. In tegenstelling tot andere medicijnadvertenties die rechtstreeks op consumenten waren gericht, werd hierin met geen woord gerept over bijwerkingen of risico’s voor de zich ontwikkelende hersenen en lichamen van kinderen en jongeren.
Al snel gingen artsen nauw samenwerken met onderwijzers om elk kind dat misschien even onoplettend, anders, verveeld, te traag, onderpresterend, angstig, ruziezoekend, opstandig of zich misdragend was, te identificeren, een label op te plakken en medicijnen te geven. Volgens de biologisch psychiater Stan Kutcher zouden medicijnen zogenaamd „verschillende hersencircuits kunnen herstellen die niet werken zoals het hoort“. Er is echter geen bewijs dat gedrag bij kinderen te wijten is aan defecte hersenen.
Het resultaat: scholen zijn, onder leiding van ministeries, veranderd in centra voor het diagnosticeren van psychische aandoeningen. Volgens deze industrie is geen enkel kind te jong om onder de loep te worden genomen. En dus gaat het toedienen van medicijnen gewoon door.
Lees deel 2 van deze blog hier.
***Gepubliceerd op Mad in America, 1 maart 2019. Vertaald door MitN***
Mad in America biedt ruimte aan blogs van een diverse groep schrijvers. Deze posts zijn bedoeld als openbaar forum voor een brede discussie over de psychiatrie en haar behandelingen. De meningen die hierin worden geuit, zijn die van de schrijvers zelf.




